Dit artikel is geplaatst op 18-06-2009 om 08:06 en geplaatst in de categorie Serie: virtual communities and organization development, Sociale netwerken. Reacties op dit bericht kan je volgen via RSS RSS 2.0 feed. Je kunt een reactie geven, of trackback vanaf je eigen website.
In de jaren ’80 ontwikkelden Meyer & Allen het Three-Component Model of Commitment aan de hand waarvan de betrokkenheid bij organisaties gemeten kan worden. De auteurs baseerden het model op de theorie van auteurs als Mowday en Steers, waarbij de volgende definitie van betrokkenheid als uitgangspunt werd genomen: “the relative strength of an individual’s identification with and involvement in a particular organization” (Steers, 1977). Het gaat hierbij om een actieve relatie met de organisatie waarbij medewerkers bereid zijn om iets van henzelf te geven om zodoende bij te dragen aan het welzijn van de organisatie (Mowday et al., 1979). Meyer & Allen (1984; 1991) onderscheiden drie soorten betrokkenheid: affectieve betrokkenheid, continuïteitsbetrokkenheid en normatieve betrokkenheid. Deze drie componenten kunnen door medewerkers afzonderlijk van elkaar en op verschillende niveaus worden ervaren. Het eerste component, affectieve betrokkenheid, doelt op de emotionele verbintenis en de identificatie met de organisatie. Werknemers met een sterke affectieve betrokkenheid werken bij de organisatie omdat zij dat willen (Meyer & Allen, 1991).
Ook de deelname aan virtual communities is grotendeels gebaseerd op identificatie, in dit geval met een groep mensen online (Johnson, 2001). Alhoewel deelname aan communities en organisaties naast elkaar bestaan, gaat de self-categorization theorie er vanuit dat individuen één groep als meest saillant, ofwel opvallend en belangrijk zien (Hogg & Terry, 2000). Vanuit de self-categorization theorie wordt het categorisatieproces gezien als de cognitieve basis van groepsgedrag. Groepen worden niet meer beschouwd als verzameling van unieke individuen, maar als belichaming van een relevant prototype en zodoende ingedeeld in categorieën (Hogg et al., 1990). Vanuit deze gedachte is het zeer aannemelijk te veronderstellen dat de deelname aan een virtual community, net als de deelname aan een ‘offline’ groep (Hogg et al., 2004), wordt bepaald door de fit die een individu ervaart met het prototype van de community.
De onbeperkte mogelijkheden van het Internet zorgen voor een grote verscheidenheid aan communities en subcommunities met verschillende prototyperingen. Individuen hebben daardoor meer keuzevrijheid als het gaat om deelname aan een virtual community dan wanneer het gaat om de ‘deelname’ aan een organisatie. Het is dan ook te verwachten dat de fit en de mate van identificatie met de community sterker zijn dan de fit met het prototype van de organisatie of de organisatie-unit. Aangezien de sterkte van de fit met een groep bepalend is voor het verheffen van de ene groep boven de andere (Hogg & Terry, 2000 p.125) kan aangenomen worden dat in deze situatie de virtual community als saillant beschouwd wordt. De emotionele, affectieve betrokkenheid bij de organisatie neemt af en maakt plaats voor een sterkere betrokkenheid bij de virtual community. Deze beredenering leidt tot het formuleren van de volgende hypothese:
Hypothese 1
Actieve deelname aan member-initiated virtual communities heeft een negatieve invloed op de affectieve betrokkenheid van medewerkers bij organisaties
724 views | Reageer (View Comments reacties)














